Logo Universiteit Utrecht

Liternatuur

Artikelen

‘Één varen mag geen varen heten’

Problemen die zich op mondiaal niveau voordoen, zoals de klimaatcrisis , staan bijna nooit op zichzelf. Aan dergelijke problematiek ligt een bepaald machtssysteem ten grondslag dat ook zichtbaar is bij andere crises, denk bijvoorbeeld aan raciale- of genderonderdrukking. Dergelijke problemen kunnen om deze reden ook niet los van elkaar worden gezien. Er is altijd sprake van een bepaalde verwevenheid tussen de vormen van onderdrukking. Het is daarom nuttig om te kijken waar de problemen op het gebied van ongelijkheid elkaar kruisen, om zo beter te begrijpen hoe onderdrukking ontstaat, in stand worden gehouden, en – hopelijk – opgelost kan worden. 

Door Emma Oudhuizen 

Maartje Smits (1986) heeft in haar werk veel aandacht voor zowel het klimaatprobleem, als het probleem van genderongelijkheid. In haar eerste dichtbundel Als je een meisje bent (2015) legt ze de perikelen van het vrouw worden en zijn bloot. In haar tweede bundel Hoe ik een bos begon in mijn badkamer (2017) brengt Smits de ongemakkelijke machtsverhoudingen tussen mens en aan het licht. Nu klimaatverandering niet langer te ontkennen valt, moeten we ons opnieuw verhouden tot de natuur, stelt Smits op de website van haar uitgeverij. Door de tweeledige thematiek die zij in haar poëzie aansnijdt, is dliteratuur van Smits uitermate geschikt om de verhoudingen tussen gender en klimaat te onderzoeken. Wat is haar visie op de ongelijke verhoudingen? Hoe verhouden deze concepten zich tot elkaar? En hoe kan dit perspectief bieden op de problemen op dit gebied in de echte wereld? 

Onderdrukking van de natuur en de vrouw  

In het veld van de ecofeministische literatuurkritiek komt de problematiek op het vlak van milieu en gender samen. Binnen dit veld ligt de focus op de verhoudingen tussen de oppressie van de vrouw en de oppressie van de natuur. Zowel de vrouw als de natuur bevindzich in een gemarginaliseerde positie, waarbij zij onderdrukt worden door respectievelijk de mens en de man. Beiden zijn dus slachtoffer van een kapitalistisch en patriarchaal systeem. De machtsverhoudingen die ten grondslag liggen aan de onderdrukking van de vrouw staan in direct verband met de machtsverhoudingen die leiden tot het misbruik van het milieu. Vaak wordt het feminiene dan ook geassocieerd met natuur, onderdanigheid en sensualiteit, terwijl het masculiene eerder in verband wordt gebracht met cultuur, macht en rede. en rede.  

In het gedicht in het donker trilt het huis uit de eerste bundel van Smits komen de verhoudingen tussen zwakte, het vrouwzijn, en de natuur duidelijk naar voren:  

in het donker trilt het huis 

hoor 

hoe jij je zusje
botten kweken
tussen ademsprongen in spouwmuren
daar dreunt het 

afzetten       zweven       landen zinken
donker trilt het huis een vogeltje groeit donsschouders
de schuifdeur die invallende ogen te droog te knipperend
föhnhaar
dat plukken
in bed
blijven
luisteren
lieg dat iedereen slaapt 

vier de verjaardag van het laatste ijsje
toast op een langzaam verdwijnen
op acetonadem en blauw een lichaam
dat zich opeet kies ervoor haar
altijd te geloven
omdat je zusje nooit zou liegen en je ergens moet kunnen vertrouwen dat zij
daar nog is     wees trots op haar doorzetten omdat je altijd trots bent op een zusje
ook als er bijna niks meer over is    wees een zusje en aai dat laatste stukje
van jullie     zeg dat het goed is dat ze er is
ook als je haar niet meer ziet     als ze schreeuwt dat je verraad pleegt dat ze naar
huis wil hoewel ze thuis is en dat huis allang verdween     aai alle vogeltjes waarin
ze wakker wordt omdat ze je zusje is
en zusjes alles mogen worden  

In het gedicht omschrijft de verteller de eetstoornis van haar zusje. Het feit dat hier een jonge vrouw te maken heeft met een eetstoornis is al tekenend voor de problematiek waarmee we in de dichtbundels te maken hebben. Eetstoornissen komen, volgens de rapporten, vooral voor bij vrouwen. De psychologie achter een eetstoornis is ingewikkeld en complex, maar de controledrang die erbij komt kijken zou gelinkt kunnen worden aan de verwachtingen die middels de maatschappij op jonge vrouwen worden gelegd. Het zusje wordt hier dan ook vergeleken met een zwak en kwetsbaar vogeltje.  

De link tussen het donshaar dat een mensenlichaam ontwikkelt op het moment dat het ondervoed raakt en het donshaar van een jong, pasgeboren vogeltje is treffend. Het beeld van het kleine vogeltje wekt tevens een associatie op met onderdanigheid, zeker omdat in het gedicht opgeroepen wordt om het vogeltje, en het zusje, te aaien. Hierin nemen zij dus aan passieve rol aan. Het zusje is door haar eetstoornis vrij letterlijk aan het verdwijnen, door de kilo’s die zij verliest blijft steeds minder van haar over. De link met het eerste gedicht uit de bundel is daarmee snel gemaakt. In via via stapt de verteller per ongeluk op een jong vogeltje.  

In het gedicht wordt dus een beeld geschetst van een vrouw die langzaam vernietigd wordt. Zij is slachtoffer van de maatschappij waarin zij opgroeit. Door het meisje te linken aan het vogeltje krijgen de machtsverhoudingen die invloed hebben op de vrouw ook invloed op het diertje, en daarmee de natuur. Smits legt in dit gedicht dus de verhoudingen tussen het vrouwzijn, de natuur en de ondergang bloot. De vrouw en de natuur worden hier als zwak en als slachtoffer gepresenteerd. Hiermee biedt het gedicht een kritische reflectie op de omgang met de vrouw en de natuur in de werkelijkheid.  

Opgaan in de natuur 

Waar de focus in de eerste bundel van Smits op de vrouw lag, ligt de focust in de tweede bundel op de natuur. Toch is ook in deze bundel weer heel duidelijk het verband tussen de twee concepten zichtbaar. Zo is in het gedicht hoe ik een bos begon in mijn badkamer te lezen hoe een vrouw op een bepaalde manier opgaat in de natuur: 

hoe ik een bos begin in mijn badkamer  

verleid door handzame varens in de supermarkt 
tuinloze wezens zoals ik amper dorst maar 
IKEA GROEN IS GOED 
en kamerplanten zuigen stress 

de varen bleek geen varen 
een vrouw keek vrij en schoon van verpakking 
ze ademde Luchtzuiverende Plantenmix®
getest door NASA en TNO 

thuis hoorde ik  

bomen praten ondergronds 
over het weer 
veranderde klimaat ze ruilen schimmels met superpowers 
storten kalmerende mineralen 
op een huishoudrekening  

één boom bestaat amper 
één varen mag geen varen heten 
ik kocht een tweede 
een derde
ik kocht het hele laatste treetje 
mix 

tot de vulploegmedewerker mij vermaande 
in Suriname moet je vechten tegen de natuur 
anders nemen ze alles over 
eerst je tuin dan je huis je 
bed je douchegordijn  

maar bossen groeien tegenwoordig binnen 
de lijntjes statische paddenstoelen langs de weg 
is overwoekeren in Nederland nog wel een woord  

hoe had ik me ooit van planten 
durven onderscheiden 
waar begon de mix en ik  

zag mijn nauwelijksvarens vereenzamen 
op de vensterbank
naast elkaar in kunststof aardewerk 
waar alles op afketst 
wortels die dwanggedachten ingroeien  

mijn plantenmix huilde onder de douche 
waar ik hun weke onderlijven ontpotte en begroef 
in de uitgeknipte aarde 
daarna droeg ik het overige 
kamergroen naar boven  

In dit gedicht vraagt Smits zich af in hoeverre de mens en de natuur van elkaar te onderscheiden zijn. Waar begint de natuur, en waar houdt de mens op? Ook het feit dat de vrouw in het gedicht Luchtzuiverende Plantenmix® inademt, draagt bij aan deze beeldvorming.  

Vrouw en natuur lijken in elkaar op te gaan, de scheidingslijnen vervagen. Toch is dit niet overal het geval. Buiten, in Nederland is de natuur georganiseerd, ingeperkt. Is overwoekeren in Nederland nog wel een woord? vraagt de verteller zich af. Daar tegenover wordt Suriname geplaatst. In dit land overwoekert de natuur nog wel. Je moet hier zelfs vechten tegen de natuur, stelt een vulploegmedewerker, anders neemt ze alles over 

Dit kan twee dingen impliceren. Enerzijds zou dit kunnen betekenen dat de natuur in Suriname nog niet is aangetast door de mens. De Westerse wereld zou dus een voorbeeld kunnen nemen aan de manier waarop de mens met de natuur in het Zuid-Amerikaanse land omgaat. Zij kan hier nog vrij haar gang gaan, en is niet onderworpen aan de mens. Anderzijds kan de overwoekerende natuur worden gezien als iets wat de mens niet meer onder controle heeft. De verhoudingen tussen de mens en natuur zijn op zo’n manier ontwikkeld dat de natuur de controle over de mens heeft overgenomen.  

In dit gedicht komen dus duidelijk twee tegenstellende gevaren, die ook bij het klimaatprobleem een belangrijke rol spelen, naar voren. Enerzijds heeft de mens de natuur compleet naar haar hand gezet en blijft er niks meer van over. Anderzijds is de mensheid de controle juist volledig verloren. De oplossing lijkt te liggen in een wederkerige relatie tussen de mens en de natuur, waarbij de scheidingslijnen tussen de twee vervagen. Hierbij pleit Smits dus voor een ecocentrisch wereldbeeld, waarbij de mens onderdeel is van het ecosysteem en niet langer de norm bepaalt. Wederom kaart Smits in haar gedicht dus een zeer reëel probleem in de werkelijkheid aan. Wederom kaart Smits in haar gedicht dus een zeer reëel probleem in de werkelijkheid aan.  

In de poëzie van Smits komt de gelijkenissen tussen vrouw en natuur duidelijk naar voren. Beiden nemen een passieve, ondergeschikte rol aan. Door in haar tweede bundel de focus te leggen op de natuur en te laten zien hoe de mens zich daartoe verhoudt, prikkelt zij de lezer om na te denken over de milieuproblematiek in de werkelijkheid. Middels haar poëzie mengt Smits zich dus in het debat over de klimaatcrisis dat momenteel in de maatschappij gevoerd wordt, en laat zij haar visie op de problematiek zien.

Maartje Smits: Als je een meisje bent. De Harmonie; 45 pagina’s; €16,90.  


Maartje Smits: Hoe ik een bos begon in mijn badkamer. 2017. De Harmonie; 69 pagina’s; €17,90.


… Over de rol van afbeeldingen in deze bundel lees je in Meer dan woorden


<< vorige | volgende >>