Liternatuur

Artikelen

Het tegenovergestelde van een mens (2017) is een beter mens

Op de vraag naar de visie op het milieubeleid van zijn kabinet tijdens een interview in 2019 antwoordde Mark Rutte dat ondanks de noodzaak om CO2-uitstoot fors te verlagen ‘[m]oeten we nog wel een leuk leven blijven leiden. (sic) We moeten nog gewoon kunnen barbecueën.’ Dat Lieke Marsman, schrijver, filosoof en sinds 2021 ook de ambtsdrager van de publieke functie van Dichter des Vaderlands, het daar principieel mee oneens is, blijkt al uit haar debuutroman Het tegenovergestelde van een mens (2017). Hoe weerspreekt Marsman daarin het antropocentrische standpunt van Rutte en wat stelt zij in plaats hiervan voor?

Door Oana Ciuraru

Het Antropoceen: Het is niet leuk. En het is aan ons

De roman van Marsman gaat over Ida, een jonge klimaatwetenschapper die een lesbische relatie heeft met Robin en die — in tegenstelling tot haar oud-medestudenten die werkzaam zijn bij Shell – een onderzoeksstage besluit te lopen in het kader van een Italiaans project gericht op de invloed van stuwdammen op het klimaat en op vissen. Haar (liefdes)verhaal zit op het eerste gezicht vrij simpel in elkaar, maar het is verweven met reflecties, interrogaties over klimaat, wetenschap, kapitalisme, filosofie en relaties. Deze zoektocht naar nieuwe verhaalvormen is niet onverwacht in klimaatliteratuur. Integendeel. Al in 2016 signaleerde Amitav Ghosh de uitdaging van schrijven over klimaatkwesties — ‘the climate crisis is also a crisis of culture, and thus of the imagination’ – en de behoefte om hiervoor de ontoereikende traditionele literaire vormen voorbij te gaan (Ghosh, 2016, p. 9); (Jorritsma, 2021). Het vormexperiment van Marsman is dus een consequentie van schrijven over een ingewikkeld verschijnsel dat het leven, het begripsvermogen en de verantwoordelijkheid van één individu overtreft: de klimaatcrisis. Hoe zou een klassieke roman ooit deze complexiteit kunnen weerspiegelen? (Jorritsma, 2021). En vooral: hoe probeert Marsman om dat in haar roman wel te doen?

Dat de gevolgen van het menselijk ingrijpen in de natuur niet altijd en vaak ook niet meteen zichtbaar worden – klimaatdoden tellen vaak als gewone doden – en dat je de schuld voor een overstroming, droogte of voor klimaatverandering in het algemeen niet bij één iemand kunt leggen betekent allerminst dat die niet serieus zijn, legt tevens een collega-onderzoekster van Ida uit in haar eerste weken in Italië. Ida ziet dat ook; voor haar is het (chaotische) weer dan ook ‘niet zomaar het weer’, maar wel ‘een uiting van klimaat’ (p. 120) en dus impliciet gelinkt aan de mens. Ook het strand is voor haar niet zomaar het strand: terwijl Robin hierin een symbool van vrijheid ziet denkt Ida dat het ook de plek is waar ‘je botten drie jaar na je verdrinkingsdood (…) gevonden worden tussen plastic zakken en drijfhout’ (p. 91). Deze ongewone manier waarop Ida naar het strand kijkt illustreert wat Timothy Clark scalar literacy noemt, een poging om de enorme complexiteit qua tijdschaal van de klimaatcrisis in literatuur te vertalen door het los te koppelen van de menselijke tijdschaal (Clark, 2019, p. 41-43). Als lezer van de roman van Marsman blijf je je daarom afvragen of het beeld dat zij schetst van botten, drijfhout en plastic op een strand ook niet ecokritisch geïnterpreteerd kan worden, als een symbool van de gigantische, eeuwigdurende destructieve invloed van de mens op alles: zelfs jaren na de verdwijning van de mens zullen zijn schadelijke sporen op de planeet nog zichtbaar zijn.

Het is juist deze massale destructieve invloed van de mens op het klimaat, flora en fauna die definieert wat de geologen een nieuw tijdperk noemen: het Antropoceen. Alhoewel de discussie rondom zijn beginpunt nog voortduurt, lijkt het een feit te zijn dat het Antropoceen ergens tussen de neolithische revolutie en de eerste kernbom begon en dat het een periode beslaat die doorgaat tot in het heden (James, 2020, p. 188). Zoals het voorbeeld van het strand laat zien, is het Antropoceen ook een tijdperk vol ambiguïteiten waarin vaak zaken bij elkaar komen die eigenlijk niet helemaal bij elkaar passen en waar het moeilijk is om grip op te krijgen. Wie de roman van Marsman leest ziet echter dat zij daar juist een constante poging toe doet. Als het ambigue beeld van het strand dat zij schetst misschien de weg openlaat voor een vrije interpretatie toont een ander voorbeeld waar Ida aan moet denken, dat van de wolven in Tsjernobyl – die in een radioactief gebied meer dan in normale omstandigheden gefokt hebben – dat ‘het nog altijd beter is te leven in een gebied waar je wolvenbaby’s de kans lopen met ernstige misvormingen ter wereld te komen, dan te leven in een gebied waar mensen komen’ (p. 39).

Dit idee dat door de personages van Marsman op verschillende manieren wordt geïllustreerd, namelijk dat een wereld gedomineerd door de mens bijna onleefbaar geworden is en dat de enorme implicaties van de klimaatcrisis – alhoewel door de mens geproduceerd — de menselijke maat overtreffen, wordt ook in geesteswetenschappen geproblematiseerd, door middel van het Antropoceen, een nieuw denkkader geïnspireerd door de al genoemde geologische uitvindingen. Kortom: we leven in een tijdperk dat allerminst leuk is en daar dragen wij de schuld voor. Het wordt daarom interessant om – aan de hand van de roman van Marsman — verder te onderzoeken wat de implicaties daarvan zijn voor de manier waarop de mens zich voortaan in het universum positioneert. Met andere woorden: wat houdt het Antropoceen, conceptueel gesproken in?

Zoals Jona in de buik van de walvis

Het besef dat de mens per definitie slecht is (voor het milieu) roept om oplossingen. Hoe kunnen wij, als mensen, onze eigen schadelijke invloed op het milieu bestrijden? Als de vulkanische as die na een vulkaanuitbarsting in de stratosfeer blijft hangen erin slaagt de zonnestralen te blokkeren en daardoor een temperatuurdaling te veroorzaken, kunnen we dan niet proberen dit effect kunstmatig op grote schaal te reproduceren? Of de woestijnen wit te schilderen? Dat vraagt een spreker zich af tijdens een klimaatsymposium waar Ida aan mee mag doen. Gezien de mogelijke langetermijnrisico’s en onvoorziene effecten, concludeert de academicus: nee. Bovendien is juist het feit dat wij een technologische oplossing proberen te vinden om de ongewenste effecten van ons (profijtelijke) handelen te compenseren ‘de zoveelste uiting van menselijke arrogantie’ (p. 133). In plaats van blijven geloven dat alles voor de mens en door de mens gemaakt is, stelt de spreker voor dat ‘we allereerst [moeten] ophouden alles wat niet-menselijk is als minderwaardig te zien’ (idem). Met andere woorden – het Antropoceen stelt de mens voor een filosofische uitdaging: het verplicht die zijn centrale positie in het universum achter te laten. Aangezien het antropocentrische denken in een klimaatcrisis heeft uitgemond, wordt het Antropoceen dus ook de tijd waarin de mens moet begrijpen dat wij minder bijzonder zijn dan wij dachten, dat ‘het menselijk bewustzijn in dezelfde soort elementaire deeltjes uiteenvalt als de stoelen waar wij op zitten, als de bomen (…), als het plastic dat in onze oceanen drijft’ (p. 130). Als technologie de klimaatcrisis niet op kan lossen, zullen wij dan niet ergens anders moeten zoeken?

Al sinds haar kinderjaren, toen haar moeder zei dat mensen slecht zijn, beslist Ida het tegenovergestelde van een mens te worden. Haar poging om nieuwe bestaansvormen te verkennen neemt verschillende vormen aan. Ida behandelt niet alleen theelepeltjes, vulpennen en knikkers zoals zij ook mensen behandelt, maar probeert vaak ook zelf een niet-menselijk wezen te worden. Zo begint de roman met Ida die er als kind onder haar dinosaurussendekbed van hield om te fantaseren dat ‘ik een komkommer was’ (p. 11) en die op latere leeftijd – als zij komkommers vergeten is – een tafel verlangt te worden waarop een kleedje ligt dat op haar rug kriebelt. De vraag die eigenlijk sluimert onder deze mislukte pogingen van een jong meisje om een komkommer of een tafel op wieltjes te worden, uit angst om mens – en impliciet slecht – te zijn, komt niet uit de lucht vallen. In andere teksten die de implicaties onderzoeken van het Antropoceen in respectievelijk filosofie en literatuur stellen ook Timothy Morton, Graham Harman of Erin James dezelfde vraag, namelijk: In hoeverre en hoe kunnen wij als mensen voorbij de mens(heid) denken? (Morton, 2013, p. 36); (Harman, 2018, p. 10); (James, 2020, p. 190).

De grenzen van het menselijke volledig overschrijden blijkt onmogelijk te zijn, zelfs voor de empathische wetenschapster die Ida geworden is. Alhoewel zij zich bijvoorbeeld bewust is van het feit dat – objectief gesproken – minder kinderen krijgen een eerste stap zou zijn in de menselijke strijd tegen klimaatverandering geeft Ida toe: ‘(…) als Robin het me zou vragen, zou ik ook zo een kind met haar willen. Alleen al de gedachte daaraan maakt me gelukkig’ (p. 110). Ida is daarom gewoon bij uitstek mens, imperfect. Zij voert bijvoorbeeld onderzoek uit naar klimaat, maar één van de eerste dingen die zij doet zodra zij in Italië aankomt is een auto huren waarmee zij onder andere naar de luchthaven rijdt om haar vriendin op te halen die niet met de trein of met de auto, maar met het vliegtuig op bezoek komt uit Nederland. Zelfs de kleine gebaren van Ida benadrukken dat de mens onderhevig is aan onvolmaaktheid. Tijdens haar kanotocht met Robin, vertelt Ida dat zij ‘uit beginnende verveling nu en dan een blaadje van een overhangende boomtak’ plukte (p. 153).

Dat een klimaatactiviste soms met de auto rijdt of zonder reden een blad plukt laat ook zien dat de mens – zoals Timothy Morton schreef – per definitie ‘een soort Jona in de walvis is’, dat die beperkt is, een gevangene binnen structuren – de zogenaamde ‘hyperobjecten’— die de menselijke geest nooit volledig kan begrijpen: ‘The more I struggle to understand hyperobjects, the more I discover that I am stuck to them. They are all over me. They are me’ (Morton, 2013, p. 20-28). Op zoek naar een oplossing in onszelf, realiseren we ons dat wij gedoemd zijn om als mensen beperkt en imperfect te zijn. Ook Ida deelt deze gedachte: ‘Het is onmogelijk om de wereld te bekijken door andermans ogen, hoe empathisch je ook bent’ (p. 141). Het gaat niet goed met de wereld vanwege ons toedoen en de technologie of een komkommer worden zijn hier geen haalbare oplossingen voor. Is er dan niets wat we kunnen doen?

Zo goed mogelijk zichzelf zijn

De klimaatcrisis leert ons om onze positie in het universum te heroverwegen, maar: ‘Buiten niet-bestaan bestaat er niets goeds’ (p. 141). Betekent het feit dat wij dus per definitie onvolmaakt en begrensd zijn dat wij niets kunnen doen aan klimaatverandering en dus dat wij lekker moeten blijven barbecueën? Nee, niet aldus Marsman. Haar Ida die ‘s nachts zwetend wakker wordt en zich afvraagt ​​of zalmen ook aan het Stockholmsyndroom kunnen lijden leert ons dat wij wie we zijn weliswaar niet fundamenteel kunnen veranderen, maar wel constant blijven verbeteren: ‘Wie niemand anders kan zijn, moet ervoor zorgen dat hij in elk geval zo goed mogelijk zichzelf is’ (p. 13). Of zoals Erin James schreef: ‘to be anthropogenic is not necessarily to be anthropocentric’ (James, 2020, p. 191). Kortom: dat wij mensen zijn is onveranderlijk. Dat wij voortdurend onze menselijke grenzen toetsen, dat wij steeds meer empathisch – al nooit absoluut – om leren gaan met alles om ons heen, zoals Ida, dat wij op ons handelen en onze acties – van werk tot eten en kleding — kritisch leren reflecteren is een keuze. En een verantwoordelijkheid.

 


Gebruikte bronnen

Clark, Timothy. 2019. ‘Scalar Literacy’. In The Value of Ecocriticism, 38–56. Cambridge: Cambridge University Press.

Ghosh, Amitav. 2016. The Great Derangement. Climate Change and the Unthinkable. University of Chicago Press.

Harman, Graham. 2018. ‘Introduction’. In Object-Oriented Ontology: A New Theory of Everything, 6-16 (pdf met ongenummerde pagina’s). Londen: Penguin Books.

Iovino, Sernella, en Serpil Oppermann. 2014. Material ecocriticism. Indiana: Indiana University Press.

James, Erin. 2020. ‘Narrative in the Anthropocene’. In Environment and Narrative. New Directions in Econarratology, 183–202. Ohio State UP: Columbus.

Jorritsma, Jilt. 2021. ‘Waarom onze verbeelding van waterrampen tekortschiet’. De lage landen. https://www.de-lage-landen.com/article/waarom-onze-verbeelding-van-waterrampen-tekortschiet.

Marsman, Lieke. 2017. Het tegenovergestelde van een mens. Amsterdam: Atlas.

Morton, Timothy. 2013. HYPEROBJECTS Philosophy and Ecology after the End of the World. Minnesota: University of Minnesota Press.

 

<< vorige | volgende >>