Logo Universiteit Utrecht

Liternatuur

Artikelen

Otje als start van de discussie over relatie mens-dier 

Niet naar school gaan maar de hele dag rolschaatsen. Lak hebben aan officiële instanties en aan zeurende tantes. Bevriend zijn met alle dieren. Dat is Otje, hoofdpersoon in het gelijknamige boek van Annie M.G. Schmidt. Voor mij als kind was ze een ware jeugdheld. Ik liet mijn haar ook kort knippen, rolschaatste erop los en had dolgraag twee muizen in een mandje gehouden. Maar daar stak mijn moeder een stokje voor. Zij zat op één lijn met de tantes van Otje: ‘Muizen zijn alleen maar ongedierte’. Ik was er juist van overtuigd geraakt dat muizen ook gevoelens en dromen hadden en kon me helemaal inleven in muis Lodewijk:  

‘De wijde wereld!’ riep hij verrukt. ‘Eindelijk de wijde wereld. 
Kom mee, Suzie, we gaan erin!’  

Door Carlijn Borsboom

Sprekende dieren

Otje werd voor het eerst uitgegeven in 1980. Het verhaal gaat over de eigenzinnige Otje en haar vader Tos. Tos heeft geen officiële documenten en nadat hij ontslagen is door zijn werkgever Meneer Pardoes, trekken Otje en Tos door Nederland in hun bestelbus. De politie zit hen op de hielen, maar ze krijgen hulp van de grote vriendengroep van Otje: de hond Boef, de poes Betsie, Kwark de kraai, Toep de mus en de muizen Lodewijk en Suzie. Stuk voor stuk dieren die kunnen praten. 

In Otje hebben de dieren een stem waarmee ze uiting geven aan wat er in hen leeft. Het zijn daarmee antropomorfe personages: niet-menselijke wezens die menselijke eigenschappen hebben gekregen. Door de balans tussen het menselijke en het dierlijke, vervaagt de tegenstelling tussen mens en dier. Op die manier kan er kritiek geuit worden over het denken in deze strikte tegenstelling. 

‘Natuurgetrouw’

Het gevaar van antropomorfe personages is, dat het dierlijke karakter geheel verdwijnt. Dieren worden dan mensen in een dierenlijf, waarmee de mens de maatstaf blijft. 

In Otje wordt echter wel degelijk recht gedaan aan de dierlijkheid van de antropomorfe personages. De dieren wisselen in het verhaal hun menselijke woordenschat af met dierlijke uitroepen als ‘Kraaa!’ (de kraai) en ‘tietietiet’ (de lijster). In de menselijke taal drukken de dieren hun emoties en verlangens uit, maar duidelijk is dat deze worden aangedreven door de dierlijke instincten die passen bij hun soort. Zo rouwt de lijster Tiet weinig om haar tante, iets wat Otje niet begrijpt. Het anders-zijn van Tiet wordt hiermee in het verhaal erkend. Tiet is veel te druk met haar nest. Voortplanting is voor de vogel belangrijker en de dood hoort nu eenmaal bij de natuur. De jonge lezer krijgt een inkijkje in het leven van de lijster.

Ook de hond Heppie heeft dierlijke verlangens die passen bij zijn soort. Zijn strenge baasje houdt hem aangelijnd, terwijl hij zo graag kippen op wil jagen. Als Otje hem uitlaat vraagt ze: 

Straks mag je los. En wat wil je dan het liefst?’
‘Kippen opjagen, zei Heppie zonder te aarzelen.

De muizen hebben continu honger en zijn op zoek naar eten. De kat Betsy jaagt op haar beurt weer achter de muizen aan. Ook op de afbeeldingen zijn de beesten ‘natuurgetrouw’ (in de stijl van Fiep Westendorp) afgebeeld: ze dragen geen mensenkleding en hebben geen menselijke ledematen.

Inleven

Naast het anders-zijn van de dieren en het benadrukken van hun dierlijkheid, worden juist ook de gelijkenissen tussen Otje en haar dierenvrienden beschreven. De hond Boef klaagt: ‘Een hotelhond mag nooit blaffen. Kun je nagaan!’, waarop Otje antwoordt: ‘Ik mag ook een heleboel dingen niet’. Otje en de hond zitten dus in hetzelfde schuitje: volwassenen verbieden hen van alles. Dit komt ook naar voren in de dialoog met de hond Herman. Als Otje aan hem vraagt waar zijn baas is, ketst hij dezelfde vraag terug: ‘Waar is jóúw baas?’. Door het beschrijven van de gelijkenissen tussen kinderen en dieren, kan de jonge lezer zich identificeren met het dier en hier empathie voor ontwikkelen. De drang van muis Lodewijk om de wijde wereld in te gaan bijvoorbeeld, wordt op deze manier invoelbaar gemaakt: wil een kind niet ook ontsnappen aan het juk van de volwassenen? 

Bijrol

Tegelijkertijd is het nog altijd de volwassen mens die bovenaan staat in de hiërarchie. Dieren worden gelijkgesteld aan kinderen. Het zijn immers de vrienden van Otje. Maar ook in relatie tot haar, is er sprake van een ongelijke machtsverhouding. De dieren spelen weliswaar een belangrijke rol in het verhaal: ze helpen Otje en Tos bij alle problemen die zij onderweg tegenkomen. Hun dierlijke verlangens en drijfveren spelen daarbij zeker een rol, maar toch staan de dieren in dienst van het hoofdpersonage Otje. Het is Otje die uiteindelijk de touwtjes (of hondenriem) in handen heeft. Zij beschermt de muizen tegen de kat, laat hond Heppie tijdens het uitlaten even op kippen jagen (maar hen niet doden) en houdt waakhond Herman onder bedwang door hem te aaien op zijn zwakke plek.

De dieren vervullen in Otje dus nog altijd een bijrol. De hiërarchische structuur waarbij de mens bovenaan staat en letterlijk de touwtjes in handen heeft, geeft blijk van een antropocentrisch wereldbeeld. Zo’n wereldbeeld in kinderboeken is mijns inziens niet onschuldig. Kinderboeken spelen immers een belangrijke rol in de vorming van kinderen en beïnvloeden de maatschappelijke houding van hun jonge lezers. Wanneer boeken geschreven worden vanuit een sterk antropocentrisch wereldbeeld, leren kinderen een denkwijze aan waarin de mens de maatstaf is. Dit denkbeeld houdt onderdrukking van het niet-menselijke in stand. Zo wilde ik als jong meisje, in navolging van mijn jeugdheld, ook twee muizen in een mandje opsluiten. 

Discussie 

Is Otje achterhaald in een eeuw waarin urgente ecologische vraagstukken zich aandienen? Moet het boek in de ban? Ik denk het niet. Immers, de antropomorfe personages bevragen het strikte onderscheid tussen mens en dier. Ze laten zien dat dit onderscheid niet zo eenduidig is als vanuit antropocentrisch oogpunt wordt gedacht. De dierlijke personages nodigen uit tot identificatie en empathie. Zo leerde ik als kind, dat muizen óók graag de wijde wereld in wilden. Tot opluchting van mijn moeder zag ik dus af van muizen in een mandje. 

Wel mag er wat mij betreft eenzelfde soort discussie oplaaien als over Jip en Janneke. Daar ging de discussie over de rolbevestigende man-vrouwverhoudingen in de populaire verhalen van Annie M.G. Schmidt. In het kader van Otje moet vandaag de dag gepraat worden over mens – dierrelaties in kinderboeken. Geen gesprekken tussen eco-kritische wetenschappers of twijfelende (wel of niet voorlezen) ouders, maar besprekingen met de jonge lezers zelf! Want Otje gaat niet alleen over de avonturen van een eigenwijs meisje, het boek roept ook allerlei vragen op over de omgang met dieren: Waarom vindt Otje dat je wel kip en kalkoen mag eten en geen lijster? Hoe denken we daar als lezer over? Is het fijn om als huisdier in een mandje meegenomen te worden? Hoe vinden de honden en poezen het dat ze worden aangelijnd? Hoe vind jij als lezer het dat poezen als huisdier worden gehouden om muizen te doden?  

Ga in gesprek!

Door dit soort vragen te stellen wordt de spanning tussen het anders-zijn van en de identificatie met antropomorfe personages benut. Kinderen kunnen zich inleven in de dieren in het verhaal en op die manier de relaties onderzoeken tussen mensen en dieren. Zo’n boekbespreking kan een startpunt zijn voor een gesprek over de omgang met dieren in het echte leven. 

Een gesprek dat gevoerd moet worden met kinderen, want zij zijn de toekomstige volwassen bewoners van de planeet. Zij zullen op zoek moeten naar nieuwe, minder ontwrichtende manieren om vorm te geven aan de relatie tussen de mens en zijn omgeving. Hopelijk breken ze hierin met de vorige generatie en nemen ze een voorbeeld aan de wijze les van Annie M.G. Schmidt: ‘Doe nooit wat je moeder zegt, dan komt het allemaal terecht’. 


Annie M.G. Schmidt: OtjeEm. Querido’s Kinderboeken Uitgeverij; 160 pagina’s; € 20,00.


Bron afbeelding: Fiep Westendorp, Iluss. Otje. Door Annie M.G. Schmidt. 29ste druk. Em. Querido’s Kinderboeken Uitgeverij; 2016; pagina 97. 


… Meer over dieren die personages worden lees je in ‘Mensen en andere dieren’ in Eva Meijers ‘Het Vogelhuis’


<< vorige | volgende >>